Sloper
„Waar is zijn moeder eigenlijk?" vraagt Erik
aan zijn
vader die in de keuken bezig is.
„Die is met Floor de stad in," zegt Bob en
doet
ondertussen meel in een grote kom.
„Moest Floor niet werken dan?"
„Ze heeft vrij genomen, zodat ze samen
eropuit
kunnen. Wij passen op Jeroentje, dus probeer maar
een beetje aardig tegen hem te doen."
'Moet jij nodig zeggen,' denkt Erik bij
zichzelf.
„Wat maak je?" vraagt hij.
„Pannenkoeken, dat vindt Jeroentje vast lekker."
'Is die visite toch nog ergens goed voor,'
denkt Erik.
Bob bakt de beste pannenkoeken ter wereld. „Maak je
er lekker veel?" vraagt hij.
Bob knikt. „Ha, Jeroentje!" roept hij als
Jeroentje de
keuken binnendribbelt. „Waar ben je geweest?"
Jeroentje kijkt hem niet-begrijpend aan.
„En wat heb je daar, Jeroentje?" vraagt Bob.
Jeroentje lacht blij. „Joentje visie kijke!"
zegt hij met
veel nadruk op ieder woord. Met één handje friemelt
hij erbij aan Bobs broekspijp, het andere handje
steekt hij omhoog. Hij houdt er een rond zwart
dingetje in geklemd.
„Natuurlijk, Jeroentje. Heeft Erik hem nog
niet voor
je aangezet?"
„Dat zal niet gaan," zegt Erik, die al in de
gaten
heeft wat Jeroentje in zijn handje houdt.
„Hè?" Bob snapt er niets van en kijkt eens
goed
naar wat Jeroentje hem wil geven. Dan vloekt hij.
„Wat heb je nou gedaan, jongen?"
„Nou edaan jomme?" vraagt Jeroentje met een
lieve
glimlach.
„Jeroentje!" zegt Bob dreigend. „Dat knopje
kun je
er toch niet zomaar afbreken! Dat mag niet hoor!"
„Nee," schudt Jeroentje goedig zijn hoofd,
„magge
niet. Neenee Joentje, niettedoen Joentje."
„Volgens mij wordt hij later sloper,"
mompelt Erik.
„Wat een kereltje is dat."
„Die televisie is net nieuw!" roept Bob en
hij gooit
de beslagkom op de aanrecht. Het meel spat tegen de
tegeltjes.
„Isse leuk! Isse leuk!" juicht Jeroentje
enthousiast.
„Isse leuk. Bob doet: bam! Bam, doette Bob. Isse
leuk!" Jeroentje probeert na te doen hoe het ging.
Erik kijkt ernaar en grinnikt. Hij kan er
niks aan
doen.
Ondertussen is Bob op een keukenstoel gaan zit-
ten. „Nou ja," zucht hij, „we zullen wel
zien of we
hem nog kunnen repareren." Hij neemt Jeroentje op
schoot. „Je bent tenslotte de gast hier, zullen we maar
denken, hè?"
Jeroentje kijkt hem eens zorgvuldig aan. Wie
weet
wat er nog meer komt.
„Hup, zand erover," besluit Bob. „Wil je
pannen-
koeken eten, Jeroentje?"
„Wijje pakkekoeke?" vraagt Jeroentje met
zijn lief-
ste stemmetje.
Maar dan pakt Bob hem plotseling onder
zijn
okseltjes. Met een diepe rimpel in zijn voorhoofd
snuffelt hij aan Jeroentjes achterkant. „O nee, hè!"
roept hij dan. „Niet weer!"